Irene Wing Easton

Op deze pagina vind je mijn columns, blog of stukjes (het is maar hoe je het wilt noemen, toch?) én het laatste nieuws!

Volg Irene op sociale media

Irene Wing Easton

Laatste nieuws

Corona-tijd heeft ook gevolgen voor mijn afgeronde manuscript maar ik blijf zoeken naar een mogelijkheid om het te publiceren. Onder aanmoediging van Thomas Verbogt maar ook anderen uit de boekenwereld, blijf ik doorschrijven. 
Op dit moment werk ik aan een nieuwe roman en schrijf columns. De columns speciaal  voor Vluchtelingenwerk geschreven, staan op de pagina 'Gepubliceerd', de overige vindt u hieronder.



 

Columns / Blogs / Stukjes

  • Betoveren


    Eigenlijk was ik niet van plan om jullie met deze nieuwe ontwikkeling lastig te vallen. Sommige dingen moet een mens gewoon privé houden, waarom zou je alles op internet pleuren?
    Aan de andere kant zijn er veel mensen die hun mening via sociale media opschuren, is het misschien toch beter dat ik een en ander deel.
    Eerder meldde ik dat ik al 1,5 jaar tob met after-Corona-gedoe en immunotherapie was begonnen. Dit is een therapie tegen de allergie voor graspollen die ik na Corona kreeg, waardoor ik al twee zomers voornamelijk binnen zat. Nee, géén hooikoorts!!! Ik hoef niet te niezen, krijg geen rode of tranende ogen en geen snotneus, ik krijg ‘alleen maar’ heftig brandende longen en dat kan pijn doen. Hoe meer graspollen in de lucht, hoe erger. Overigens gaan mijn longen ook bij huisstof en bijvoorbeeld op de snelweg (uitlaatgassen) harder branden en bij inspanning, er zitten waarschijnlijk vele kleine ontstekingen in de longvliezen.
    ‘Corona heeft je immuunsysteem aangetast’, zo werd me uitgelegd door longarts en allergoloog. Ik begon vol goede moed aan de immunotherapie, dankbaar dat ik in een vrij land leef, zonder gebombardeerde ziekenhuizen.
    Een week of twee geleden kwam ik benauwd en ziek op de Spoed Eerste Hulp terecht. Daar zag de arts de verdikking in mijn keel, mijn hartslag was idioot hoog. Het lichaam was compleet van de wap als gevolg van een langzaam opgebouwde allergie tegen het medicijn dat tegen allergie zou gaan helpen. Dankzij Corona reageert mijn lichaam met een vulkaanuitbarsting en tsunami, compleet over de top en nergens voor nodig.
    ‘Dat heb jíj weer’, roepen mijn vrienden. Maar dat is niet zo, ik ben niet de enige wiens lijf na Corona overal hyper op reageert. Ik heb dan wel een ooglapje maar dat deed aan mijn gezondheid niks af, die was prima. Iedereen kan Corona krijgen en Corona kan jou je vrije adem en vrije leven ontnemen.
    Dus ik roeptoeter dus toch maar rond dat we hier gelukkig voldoende vaccinaties hebben, maak er gebruik van.
    Laat ik positief eindigen. Ik mocht twee weken onbeperkt ijs eten! Het is een kwestie van herpakken en doorgaan. Gisteren genoot ik aan het begin van de avond van een wandelingetje maar vooral van de zon die zijn stralen uitstrekte om nog net even het groen te betoveren.

  • Oren


    Op het moment van ontwaken wist ik het meteen, dit kon niet anders dan Corona zijn. Opgelucht haalde ik adem. Nu hoefde ik er niet meer tegenop te zien, niet meer angstvallig besmetting te vermijden. Het was begonnen, over een paar dagen zou alles achter de rug zijn (ik was redelijk jong en verder slank en fit) en ík kon straks weer beschermd en wel door mijn antistoffen, het normale leven in.
    Onwetendheid begint met gebrek aan ervaring.
    Vandaag is het precies anderhalf jaar geleden dat ik Corona kreeg. Die opgeluchte ademhaling werd na een paar dagen vervangen voor benauwdheid. Vaak ging ik slapen met het idee ‘Nou we zien wel of ik morgen nog wakker word.’ Ik overleefde gelukkig maar opgelucht ademen kan ik nog steeds niet.
    Laatst las ik een column in de NRC van Rosanne Hertzberger, die het over ‘ziekten tussen de oren’ had en daar Long Covid bij plaatste. Even overwoog ik een ingezonden brief.
    Daarin zou ik haar uitleggen dat het bij mij tussen de longen zit. Om preciezer te zijn, mijn longvliezen zitten vol kleine ontstekingen, bij elke teug adem branden de longen en bij inspanning word ik kortademig.
    Verder is mijn immuunsysteem aangetast waardoor ik hyperactief reageer op bijvoorbeeld graspollen (al twee zomers binnen gezeten). Ik ben nog altijd onder behandeling van een longarts, moet ademhalingsoefeningen doen, veel medicijnen gebruiken en ben onlangs begonnen ben met immunotherapie. Ik zou schrijven dat ik trots ben dat mijn conditie verbeterd is maar dat ik nog wel liefst in bejaardentempo wandel en dat fietsen op mijn vierwielfiets niet meer gaat. Dat ik me altijd voel alsof ik zwaar griep heb. Dat ik weet dat dit niet zo ís en dus zoveel mogelijk probeer om mijn leven te lijden zoals voor Corona. Dat dit dan weer niet lukt en dat ik weet dat ik mijn grens over ga als ik het weer idioot koud krijg, de keelpijn toeneemt en ik spontaan in slaap val. Dat ik nog steeds FFP2 maskers draag en afstand zal blijven houden, niet alleen omdat ook gevaccineerden nóg een keer Corona kunnen oplopen maar ook omdat een verkoudheid of gewone griep voor mij vervelende consequenties heeft.
    Vandaag brengt de NOS me het bericht dat de overheid meer geld uittrekt voor onderzoek naar Long Covid. Toch een mooi cadeautje op deze mijlpaaldag.


  • Vroemen tussen de bloemen


    Er zijn mensen die klagen over een verregende zomer. Ik zie de zonnige kant, de planten in mijn tuin bloeien langer dan de afgelopen drie jaren tijdens hittegolven het geval was.
    Gisteren zat ik op mijn hurken bij de borders om her en der uitgebloeide bloemen af te knippen en de knoppen die er nog gloorden daardoor van extra energie te voorzien. Ineens hoorde ik een akelig geluid.
    ‘Vrrrrooooeeeem, vrrroooeeem.’ Heel even kreeg ik de neiging iets weg te meppen. Maar het ging hier niet om een stekend insect. Ik herkende het geluid uit mijn jeugd. Destijds hoorde ik het óók in de tuin!
    De eerste jaren van mijn leven groeide ik op in een plaats die redelijk in de buurt van Zandvoort lag. Het waren de eind zestiger jaren, de tijd waarin mijn ouders nog een kolenkachel stookten. Het hing een beetje van de windrichting af maar als we op zomerse weekeindmiddagen van de tuin genoten -mijn ouders met een boek, ik in de zandbak- kon het zijn dat er ineens het vrrooooeeem vroooeeem klonk en een vieze geur als een stortbui in de tuin neerdaalde. Dit alles kwam door de races op Het Circuit in Zandvoort. Niet zelden verkaste het hele gezin weer naar binnen.
    Tegenwoordig woon ik echter in de buurt van Nijmegen. Hoe kon ik raceauto’s horen?  Het bleek dat in een van de mij omringende tuinen, iemand via tv of mobieltje, de races uit Zandvoort dichtbij haalde.
    Mijn eigen mobieltje gaf een ander vroemgeluid, het was een push bericht want ‘onze Max’ had gewonnen.
    Ik gun ieder mens z’n hobby of beroep en feliciteer Max. Net zoals we in Nederland anno 2021 niet meer van de kolencentrales zijn, vraag ik me af of we, tot de raceauto’s elektrisch geleverd worden, niet beter tijdelijk kunnen stoppen met dat gevroem. Dit dan nog afgezien van de hordes mensen – ook al zijn er minder dan normaal toegestaan- die erop afkomen en in hun enthousiasme de anderhalve meter inkrimpen tot anderhalve millimeter. Klimaat en Corona, soms is er in Nederland sprake van struisvogelpolitiek. Geen regeren maar negeren, zoiets.


  • Welkom


    Het is rustig in het bos op een doordeweekse dag. Het zonlicht vindt zijn weg, piept tussen de takken en bladeren door. Ik ruik dennen en aarde, daar kan geen parfum tegenop. Terwijl ik op mijn hurken dennenappels raap en in een emmer doe, passeert er een jonge vrouw die een kinderwagen duwt, naast haar loopt een jongetje van hooguit drie jaar. Ik groet haar zoals ik iedereen groet. Ze houdt haar pas in.
    ‘Mag mijn zoontje iets vragen?’ Zoontje duikt meteen achter haar benen.
    ‘Natuurlijk!’ Verlegen komt hij weer tevoorschijn.
    ‘Ben jij een boswachter?’
    ‘Nee, ik ben geen boswachter maar ik ben wel dennenappels aan het rapen omdat ik daar een insectenhotel van wil maken waar allemaal kleine beestjes gezellig kunnen wonen.’ Even moeten deze woorden bezinken, dan klaart zijn gezicht op. Een insectenhotel vindt hij duidelijk nog veel leuker dan een echte boswachter. Dan kijkt naar zijn voeten.
    ‘Hier ligt er een!’ Met de schat holt hij naar de emmer en dat zal hij nog vele keren doen (telkens eentje tegelijk in de uitgestrekte hand) totdat ik hem hartelijk bedank voor alle hulp, constateer dat we nu genoeg hebben voor een heel groot hotel en zijn moeder vast graag weer verder wil wandelen. Het gezicht van het jongetje betrekt. De moeder die aandachtig luisterde toen ik uitlegde hoe ik het hotel wil maken, stelt voor om onder in de kinderwagen-bak ook nog wat dennenappels te verzamelen.
    Ik denk aan mijn eigen kindertijd. Altijd bezig met stokjes en blaadjes in ditzelfde bos. Mijn ouders hadden goeie ideeën omtrent wat je daarmee kon doen. Soms plakte ik ze thuis op een vel papier of maakte in een bak een mini-bos. Spelen kun je op zoveel manieren doen en blijven doen.
    De volgende dag ga ik met een rol fijn gaas aan de slag. Ik knip en buig, net zo lang tot ik een bak heb waarin ik de emmer leeg kiep.
    ‘Welkom insecten’, zeg ik hardop, maak nog net geen buiging. Jammer dat het jongetje niet kan zien hoe mooi dit onderdeel van het hotel is geworden.



  • Tadááá


    Ik heb het gedaan! Het voelt alsof ik weer terug ben in mijn normale leven! Nee, ik ging niet naar een festival. Ook zat ik nog niet op een terras. Voor het eerst in anderhalf jaar ben ik in de supermarkt geweest!
    Het feest begon al met de weg erheen. Niet op de fiets, dat kunnen mijn longen post covid nog niet behappen. Ik voelde me net mijn oma, met een boodschappenkarretje dat achter me aan hobbelde. Zij had er een met een Schots ruitje, de mijne is fel paars. Het geluk van deze dag zat hem ook in code groen die de hooikoortsradar aangaf. Niet dat ik hooikoorts héb maar mijn longen gaan sinds Corona nog harder branden als er pollen zijn. De longarts is er druk mee bezig, in september -na het pollenseizoen- start mijn immunotherapie die drie jaar zal duren. In de hoop dat dit het branden iets zal doen afnemen want pollen zijn niet de enige oorzaak.
    ‘Het is iets met de longvliezen, we denken aan kleine ontstekingen, niet zichtbaar op de scan maar we wéten dat er iets mee aan de hand is. En je bent beslist niet de enige’, zo heeft ze het me uitgelegd.
    De supermarkt bleek nog hetzelfde, al stonden sommige artikelen op een andere plaats. Het was er druk, toch waren een mevrouw en ik de enige met mondkapje. Iedereen reikte gezellig langs mekaar heen. Terwijl ik de melk pakte, verbaasde ik me erover dat het eigenlijk heel gewoon voelde. Alsof ik hier vorige week nog was. Hoe kan dat? Is het net als zwemmen, iets wat je niet verleert? Maar het is meer, het is iets wat je gemist hebt en als je het dan kunt doen verwacht je dat je uit je dak gaat, met een tadááá-gevoel maar als ik eerlijk ben, voelde het alledaags.
    De kassajuffrouw was er ook nog. ‘Ach Corona, pff, ik heb gewoon mijn leven geleefd en ik heb het niet gekregen.’ Maar ze was wel blij me te zien en ik haar.
    Met mijn aankopen aanvaardde ik de terugtocht, dezelfde als heen maar langs het Wijchens Meer lopen is beslist geen straf. De bomen weerspiegelden in het water. ‘Een plaatje’, zei ik tegen mezelf, parkeerde het karretje en nam een foto. Een groen plaatje om deze toch bijzondere dag, te markeren.


  • Zelf doen


    ‘Ik doe het je wel even voor.’ Ik stond al klaar met een emmer sop en toiletborstel in de hand.
    ‘Hoeft niet Mam.’ Mijn dochter schudde haar hoofd, rolde met haar ogen.
    Het leren schoonmaken van de wc behoort tot de grondbeginselen van mijn opvoeding, geen van onze kinderen mag het nest verlaten zonder deze kunst onder de knie te hebben. Zowel de jongens als de meisjes, uiteraard. Gelukkig bleek de onwil slechts op mijn opvoedmethode te slaan.
    ‘Hoeft niet mam, ik bekijk wel een filmpje op You Tube.’
    ‘Zijn daar filmpjes van dan?’ Ik voelde me een ouwe sufferd. Tegelijkertijd hoopte ik maar dat mijn dochter goed naar de instructies zou kijken en het zelf zou gaan doen.
    Als ze twee jaar zijn willen kinderen alles ‘selluf doen’ wat nogal eens tot strijd kan lijden. Als puber vergéten ze juist dat ze iets ook zelf kunnen, laten alles voor jou liggen. Adolescenten doen het dan wel daadwerkelijk zelf maar hanteren daarbij hun eigen hygiënische grenzen. Ook al kunnen ze een toilet schoonmaken, dit betekent niet dat ze dit in hun eigen studenten-nest ook doén. Die gedachte moet je als ouder maar doorspoelen. Laat die ergernisdrol gaan, klamp je vast aan de mantra: Ze weten hoe het moet, dan komt het uiteindelijk wel goed. Het zit ergens in dat koppie. Je stelt je voor hoe je kind op een dag in die toiletpot kijkt, ineens aan jóu denkt en weet wat er moet gebeuren!
    Dat loslaten lukt me aardig, behalve wanneer ik mijn dochter opzoek en na de urenlange autorit nodig moét. Dan is het wel even slikken om te bedenken dat dit haar leven is waarin zij de baas is. Ik wil niet zo’n moeder zijn die gaat zeuren of erger, de toiletborstel ter hand neemt en de studentenplee van haar kind poetst. Nee, ik focus me op mijn eigen toiletzaken.
    Onlangs constateerden mijn man en ik bij de wc in ons huis enige moeilijkheden, er stroomde niet genoeg water.
    ‘We moeten een loodgieter laten komen’, zuchtte mijn echtgenoot. In Coronatijd is dat niet prettig. Na enig googelen vond ik de oorzaak. Het zat hem in de ‘vlotter toilet membraan’, jazeker. We kochten online voor slechts negen Euro dit onderdeel, wat na een paar dagen in een enveloppe door onze brievenbus rolde. Vanaf dat moment waren we iets minder enthousiast over ons koopje. Want hoe kregen we dit dingetje op de juiste plaats in het toiletreservoir? Het was priegelig klein, met vreemde randjes en uitstulpingen. Ineens dacht ik aan onze dochter en wist wat er moest gebeuren. Aan de hand van een You Tube filmpje werd de klus geklaard.


  • Voorbeeld


    ‘Zien eten doet eten’, een uitspraak die je niet zoveel meer hoort. De strekking is duidelijk, als je iemand iets ziet doen dan denk je sneller ‘Hee, dat lijkt míj ook wel wat.’
    Ik geef een voorbeeld: Doventolk Irma Sluis. Na haar beroemde vertolking van ‘hamsteren’, was heel Holland aan de gebarentaal en de opleiding tot doventolk kreeg enorm veel aanmeldingen.
    Op een nieuwssite lees ik dat de opleidingen voor de zorg, dit jaar nog nét een mínimaal aantal jongeren hebben weten aan te trekken. Ook lees ik dat er volgend jaar een tekort is aan duízenden verpleegkundigen.
    De afgelopen corona-tijd zijn we overspoeld met beelden van verpleegkundigen. Telkens hadden vele jongeren kunnen denken: ‘Hee, dat is uitdagend en zinvol werk, dat is ook wel wat voor míj.’
    Zelf kwam ik daar op mijn 18e achter. Niet via de televisie of krant maar omdat ik veel in het ziekenhuis kwam waar mijn zieke vader lag. Dacht ik voorheen nog dat je in de verpleging niets anders deed dan bedden opmaken en bloemen in vazen zetten, zag ik ineens de verpleegkundige een infuus aanleggen, observeren, verzorgen en uitleg geven aan patiënten. Ik was om en solliciteerde voor een plaats als leerling-verpleegster (Je had toen nog inservice-opleidingen binnen het ziekenhuis).
    Er was toen, in tegenstelling tot nu, een overschot aan aanmeldingen voor deze opleiding. Er is iets grondig misgegaan met het imago van verpleegkundige. Verpleegkundigen worden tegenwoordig gezien als hardwerkende mensen in een onderbetaalde baan waarbij er over hen heen gewalst wordt door virusontkenners en feestgangers die hun uitlaatklep niet kunnen houden.
    Het aanvankelijke applaus verstilde, verpleegkundigen moesten de mei-vakantie doorwerken. Naast de uitputting kon alle ellende die zich op hun netvlies verschanst heeft, daardoor nog eens extra de kans krijgen om aan te koeken. Het is al voorspeld dat als straks de adrenalinepomp stil staat, de grote klap komt. Werknemers met een burn-out of die iets anders gaan doen. Laat het geen genadeklap worden, maar laat de overheid behalve het steunen van bedrijven ook de zorg eens goed gaan steunen. En dan bedoel ik niet bonus-eenmalig maar structureel én onder aanmoediging en overdonderend applaus van de rest van Nederland. Laat zien dat dit beroep gewaardeerd wordt, wie weet kunnen we dat tekort dan inkorten.

  • Goeiedag


    ‘Als alles weer normaal is.’ Dat hoor je mensen deze dagen zeggen, nu ‘de cijfers’ dalen. Zullen we over een jaar nog weten dat we met ‘de cijfers’ het aantal positieven van de dag bedoelen?  Zal de tweespalt tussen corona-ontkenners en vaccinatievoorstanders in de opgeklaarde aerosolenlucht oplossen?
    En hoe zullen we elkaar gaan begroeten?
    Is dat binnen de kortste keren weer smak-smak-smak 9of is dat voorbij? We zijn nu al zo’n tijd gewend dat kussen en elkaar handen geven uiterst onhygiënisch is, het zou toch mooi zijn als we de jaarlijkse gewone griep en verkoudheden ook eens kunnen verminderen. Maar wat dan? De elleboogstoot vind ik persoonlijk een beetje veel gedoe en het ziet er niet sierlijk uit.
    Ik moet denken aan mijn vader. Hij droeg altijd een hoed die hij ter begroeting, even oplichtte. Soms met een kleine hoofdknik erbij. Het was geen grote hoed, zoals je die in films wel ziet met zo’n brede rand en een lint erom en waarbij de drager een sigaar in de mondhoek houdt. Nee, een eenvoudige kleine hoed van vilt. In de zomer een luchtiger exemplaar waarvan hij als we in de bergen liepen, de rand nog wat omvouwde om er een Oostenrijkse ‘look’ aan te geven en waar ik dan graag een bloemetje in stak. Maar wie draagt er nog een hoed? Alleen een aantal dames op Prinsjesdag, of de vrouwen van een strenge kerk op zondag, misschien nog mensen die een bruiloft bijwonen maar verder?
    Tegenwoordig zijn petten in de mode. Zeker sinds de Netflix serie Peaky Blinders. Die specifieke petten worden ook wel backery boy cap of newspaper-cap genoemd en stammen uit de jaren twintig toen ze gedragen werden door mannen uit de arbeidersklasse. Tegenwoordig zijn ze er voor mannen én vrouwen. Dus allemaal aan de pet en die oplichten ter begroeting en als je geen pet wilt dan maar aan een denkbeeldige pet tikken?
    Hoe dan ook, de eindexamenkandidaten die na ruim een jaar onhandig onderwijs dapper op hun eindexamens zwoegden en donderdag de uitslag horen, daarvoor neem ik mijn petje af.

  • Gevaar loert overal


    Op deze grauwe lentedag waarbij de ene bui de andere afwisselt, onderga ik een onderzoek in het ziekenhuis. Ondertussen doet Man boodschappen in de buurt. Sneller dan gedacht sta ik weer bij de uitgang, waar een wachtruimte is. Bijna alle mogelijke (i.v.m. corona-afstand) stoelen zijn bezet en sowieso is het er druk. ‘Mij te veel aerosolen’, denk ik bij mezelf en besluit buiten te wachten onder een afdak. Over een paar dagen hoop ik mijn eerste vaccinatie  te krijgen en zoals Hugo de Jonge dan zegt ‘in het zicht van de haven’ wil ik niet nog even besmet raken.
    Ik houd mijn mondkapje voor want ik ben niet de enige die er staat. Af en aan worden mensen in rolstoelen geparkeerd en zegt hun begeleider: ‘Blijf hier wachten, ik rijd de auto voor.’ Ik bekijk het tafereel. Een vrouw laat na het in de auto hijsen van de patiënt, het door het ziekenhuis geleverde rolstoeltje op de stoep achter. Het begint net weer te regenen. Even overweeg ik, zal ík die stoel dan maar even terugbrengen naar binnen? Maar ik wil Man niet missen.
    Ik besluit vast naar de ‘kiss and ride’ plek te lopen.  Vanwege de regen, doe ik mijn capuchon op. Ingepakt met ooglapje, mondkapje en capuchon, beslaat mijn bril meteen. Ach, denk ik, het mondkapje kan nu wel af.
    Aan de overkant steekt een dame, jaar of zeventig, inge-regenpakt en wel, met de fiets aan de hand over. Haar tred is aarzelend, ze kijkt voortdurend om zich heen. Ik tuur of ik Man al zie aankomen.
    ‘Ik wil mijn fiets niet in de fietsenstalling zetten’, klinkt het opeens naast me. ‘De vorige keer is hij gestolen.’ De vrouw, grijs haar, beregende bril ondanks het pak en grote klep op capuchon en ik staren naar haar fiets die een e-bike blijkt te zijn. Ze gromt in de richting van de fietsenstalling. ‘Die wordt niet bewaakt, de gemeente wil er geen geld aan besteden.’ Ik knik afkeurend. De vrouw maakt aanstalten om toch maar naar de fietsenstalling te lopen. ‘Ik moet me laten tésten’, aerosoolt ze me toe.



  • Groot


    Of het nou om een werkstuk ging of een tekening, iéts dat uit een aantal velletjes bestond en naar school vervoerd diende te worden… ik werd teruggefloten.
    ‘Hohoho, zó gaat dat niet, daar moet een mapje om.’ Mijn vader -kantoor aan huis was in dit geval heel handig- haalde uit een van de archiefkasten een plastic mapje, groen, weliswaar doorzichtig maar je kon niet meer lezen wat erachter zat. Nog was het niet genoeg.
    ‘Hohoho waarom stop je het niet in je schooltas?’
    ‘Die zit vol.’ Mijn moeder liep al weg om een stevige linnen- of plastic tas te halen, hoe ik ook schokschouderde of sputterde dat ik geen tijd meer had. Het werd erin gestampt dat je papieren altijd goed opbergt in een mapje ‘Dan kan er niks mee gebeuren.’ (wind en regen werden genoemd) eindigend met ‘Later zul je me dankbaar zijn.’ Soms werd er nog wat zuur overheen gegoten ‘als je groot bent.’
    Ik zie de foto waarop mevrouw Ollogren, positief getest, wegsjeest naar haar auto, de losse papieren in de hand. Ze waaien niet weg, ze verregenen niet, nee er gebeurt iets ergers: ze zijn leesbaar. De gevolgen kennen we allemaal.
    Ook al ben ik goed opgevoed, er gaat toch nog wel eens iets mis. Zo maakte ik een keer een foto van mijn werktafel met daarop een léég computerbeeld (ik ben niet gek) maar met wel, naast de pennen en plakband, een vel papier met gekleurde vlakjes erop. Ik had de foto van grote afstand genomen, met als doel op sociale media te laten zien dat ik hard aan het werk was met een nieuw boek.
    Ik had het nog niet geplaatst of ik kreeg een reactie van Saskia, die ik toevallig ook in het leven buiten de sociale media ken. ‘Dus je boek gaat over een Gert die aan de drank raakt. Mooi thema.’
    ‘Wat?’ Hoe wist Saskia dat? Die vraag stelde ik haar snel per facebook-chat. ‘Nou gewoon, ik heb de foto even uitvergroot om dat schema te bekijken.’
    Oeps. Een mens is nooit te groot om te leren.






  • Schuitje


    ‘Denk erom dat…’ Multitasken is niet de sterkste kant van mijn internist-allergoloog, hij zit ondertussen de nieuwe medicatie te bekijken die de longarts vorige week voorschreef. ‘Oh dat zijn goeie ontstekingsremmers, ja, heel goed, en die nieuwe puffer ook, wist je dat ze daar in Engeland een onderzoek naar hebben gedaan en…?’ Midden in zijn zin houdt hij op. ‘Dénk erom dat je het niet nóg een keer krijgt!’ Ik knik. In de Facebookgroep ‘Coronapatiënten met langdurige klachten’, zijn al meerdere berichten verschenen van mensen die opnieuw besmet raakten. Sommigen fietsen er makkelijk doorheen, raken slechts achterop bij hun herstel van de vorige editie. Anderen belanden in het ziekenhuis. ‘Een verkoudheidje is voor jou al een ramp’, wrijft de internist- allergoloog nog even in.
    Sommige mensen zullen denken, tjee die Irene die overdrijft, ze wil nergens naar binnen, heeft handgel bij zich en meet ruím anderhalve meter afstand bij haar dagelijkse trainingswandeling.
    ‘Je houdt het goed vol, dat wandelen elke dag’, zegt de Cesartherapeute die mij leert ademen en mijn conditieopbouw begeleidt. ‘Maar denk erom, niet te veel doen hè? En telkens rusten na elke activiteit.’ Ja, denk ik, de dagen zijn te kort met al die rustpauzes, omdat ik bijvoorbeeld iets als douchen al als een activiteit ervaar en moet meetellen. Maar ook het schrijven – voor mij hetzelfde als ademen- is een activiteit.
    ‘Wát?’, appt een vriendin van me, ‘Je hebt nu een soort adhd?’
    ‘Nee, ík reageer niet hyperactief, maar mijn immúúnsysteem doet dat.’ De longarts legde het me uit.  
    ‘Je immuunsysteem is aangetast door Corona, daarom reageert het nu hyperactief, bijvoorbeeld op alles wat er in de lucht hangt maar ook op beweging.’
    Dit is in het ultrakort de stand van zaken. Op 21 maart 2020 werd ik ziek, op 21 maart 2021 ben ik blij met mijn nieuwe (zoveelste) medicatie en met wat ik wél kan.  Vanmorgen heb ik vroeg gewandeld, want dan zijn er minder boompollen in de lucht. Er hing nog een ochtendmist over de straten waar ik doorheen liep. Het was stil, overal stonden auto’s geparkeerd. Kinderen op school, ouders thuiswerkend achter de laptop aan de eettafel. Gisteravond keek iedereen naar de persconferentie, de maatregelen zijn weer verlengd. Ik denk aan de winkeliers, zzp-ers, studenten, kerkgangers op Urk, muzikanten, performers, en weet dat we allemaal in hetzelfde schuitje zitten. Het is ellendig maar we moeten nog even volhouden. Samen sterk.


  • Ik verzet me


    Sommige zinnen moet je altijd paraat hebben. Via je opvoeding belanden ze in je systeem, deze ingebakken kettingreactie.
    Je moeder: ‘En wat zeg je dan?’  
    Jij: ‘Dankuwel voor het rapportgeld Oma.’
    Altijd bedanken als je iets krijgt. Je neemt het mee naar de rest van je leven. Maar er zijn situaties waarin je iets krijgt wat je niet wilt en waarbij een simpel ‘Nee, dank je’, niet voldoende is.
    Je zit te typen achter je computerscherm maar bént in Oostenrijk. Juist op het moment dat je personage een voet verkeerd plaatst, stenen rondom hem beginnen te rollen en hij nog net een tak kan beetpakken maar bungelend boven de afgrond hangt…een doordringend lawaai dat je wel op moet nemen. Dat doe je terwijl je je afvraagt hoe en óf je personage gered gaat worden.
    ‘Een héle goeiemiddag!’ Je protesteert voorzichtig maar de ‘nee ik kom u niets verkopen, het gaat om een áánbieding’ wordt al ontrold en als je sputtert vraagt degene aan de andere kant van de lijn op verongelijkte toon waaróm je zo sputtert. Voor je het weet ben je een half uur verder.
    Ik ben wel eens een verkooppraatje terug begonnen.
    ‘Ook al hebt u al boeken in uw kast staan, het boek ‘Moe is Moe maar voldaan’ is een must en nu komt het meneer, ik kan het speciaal voor u en alléén vanmiddag, signeren.’
    Gelukkig las ik vandaag over een nieuwe wet en over de magische zin (ik beroep me op mijn recht van verzet) die je moet uitspreken waarna men je niet meer mág lastigvallen. Ik heb mijn opvoeding meteen herstart, met een spiekbriefje ter ondersteuning.
    ‘Ik beroep me op mijn recht van verzet’ hangt in dikke viltstiftletters (zodat ik het ook zonder leesbril snel kan oplepelen) naast de telefoon en zit aan mijn mobiel geplakt.


  • Zomer


    En toen waren de kaarten écht op. Ik haalde de laatste uit mijn laatje en die was te lelijk om te versturen. Ik dacht aan de boekhandel waar ik normaal gesproken vaak pakjes kaarten uitzoek…lockdown…en belde naar Dekker vd Vegt. Ik wilde daar in het kader van #steundeboekhandel sowieso een boek kopen.
    ‘Beetje rare vraag misschien maar zou ik bij jullie behalve een boek ook twee pakjes kaarten kunnen bestellen?’
    ‘Dat is geen enkel probleem hoor.’ De stem van de winkeldame klonk in ieder geval opgewekt. Ik hoorde voetstappen, liep in gedachten mee naar een van de vele kaartenstandaarden. We (ik aan haar oor) gingen voorbij die met de losse kaarten (ook mooi) naar die ene waar de pakjes dus in zitten. De winkeldame begon te omschrijven hoe het eerste pakje eruitzag, maar dat vond ik toch echt te veel moeite worden.
    ‘Doe maar iets waar je alle kanten mee uit kunt, verjaardag, sterktewens, succeswens enzovoorts. Iets waarvan je zelf denkt dat het geschikt is.’ Ik zag voor me hoe ze, steunend op een been met haar hand onder de kin, haar ogen langs de kaarten liet glijden. ‘Maar… het mag niet túttig zijn. En oh ja, liefs iets met een schilderij erop. En sorry hoor dat ik je zoveel last bezorg.’
    ‘Oh nee, ik vind het juist leuk om kaarten uit te zoeken, mag ik echt zelf kiezen? Effe kijken, eh dit zijn schilderijen maar tafereeltjes van de zomer dus dat is niet…’ Ik zag een strand voor me, zon, véél zon en blije mensen.
    ‘Nou, doe eigenlijk maar wel, we kunnen wel wat zomer gebruiken.’
    Vandaag kwam het pakketje binnen en ik kon het niet laten meteen maar wat kaarten te versturen. Het leuke van #steundeboekhandel is niet alleen het gesprek wat je hebt, het contáct maar zeker ook het gevoel dat je echt echt echt een hele goede reden hebt om weer een boek te kopen. Ik verheug me al op de volgende keer dat ik mijn steuntje ga bijdragen, er zijn nog zoveel boeken die ik moét hebben!



  • Creatief ondernemen

    In de nieuwsapp die ik volg, lees ik over kledingwinkeliers die klagen over modieuze voorraad waar ze nu mee blijven zitten en die ze volgend jaar weg moeten gooien. Ik vraag me af of iemand van de thuiswerkers en thuiszitters zich nu bezighoudt met móde. Oké, misschien dat de zoom-mensen zich bezighouden met bóven-mode. We kennen allemaal de grappige filmpjes van vergaderingen of lessen waarbij iemand die keurig in overhemd en colbertjasje zit, vervolgens opstaat om iets te pakken en in zijn joggingbroek of erger, onderbroek, voor aap staat.
    Als over een tijdje alles weer ‘normaal’ is, zouden we dan ineens de kleding van nu niet meer modieus vinden? Zou de voorraad van deze winterkleding niet gewoon doorschuiven naar volgende winter? Zouden we volgende winter echt iets totaal anders aan willen trekken dan nu? Ja, op die joggingbroek na misschien wel maar of dat dan een broek van deze winter is of een van vólgende winter? Maar hoe dan ook heb ik wel medelijden met de winkeliers en gun ik ze een enorm goeie verkoop.
    Tijdens het avondeten viel het me ineens op.
    ‘Er zit een gat in je elleboog’. Man tilde verwonderd zijn arm omhoog.
    ‘Wat nu?’ De winkels zitten dicht. Ik dacht aan de lokale kookwinkel waar ik via sociale media gelukkig de reinigingstabletten voor ons koffiezetapparaat kon bestellen. Via een lokale bezorgdienst gebracht. Gratis. Omdat ik me bezwaard voelde, kocht ik meteen nog wat extra.
    Nu zoek ik de stoffenwinkel op Facebook op. En wat blijkt? Er staan ontzettend leuke filmpjes van medewerkers die bijvoorbeeld een jurk showen. Vervolgens zijn er foto’s van kant en klare pakketten waar alles in zit: patroon, stof, boordstof, koordjes whatever met de totaalprijs erbij en de opmerking dat je het ook zonder patroon kunt kopen. Filmpjes van rollen stof ‘Kies maar uit, wij zorgen dat het bij u komt.’ Ik zie zoveel leuke truien, jurken en kinderkleding langskomen, je zou het allemaal wel willen maken. Het inspireert me om de naaimachine te pakken. Maar eerst die precies juiste kleur ellebooglappen met het nieuwe garen op de trui van Man naaien.


  • Tarzan


    Vanmorgen, tegen achten, liep ik naar de huisartsenpraktijk. De zon scheen, het was fris maar niet koud, het rook naar herfst. Ik besloot niet rechtstreeks maar via een omweg, langs de boerderij met de geitjes, te gaan.
    Vlak daarvoor passeerde ik een bouwkeet. Die had ik al vaker zien staan maar nooit beseft wie hij toebehoorde. Nu stond er een groepje mensen bij. Een ervan was duidelijk de ‘opzichter’ die de anderen ging vertellen wat ze moesten gaan doen.
    ‘Jij gaat schoffelen’ en ‘Jij gaat schoffelen’. Het waren op de opzichter na, mensen met het Syndroom van Down.
    Net toen ik langsliep, begon een jongeman te hoesten, deed dit vol overtuiging, zonder elleboog en in mijn richting. De opzichter was druk, had niets door. Ook ik haastte mij verder. Ja, dit is iets wat kan gebeuren, voor deze mensen zullen de regels extra moeilijk zijn al ken ik ook mensen met Down die bij een restaurant werken en daar schoner dan schoon zijn.
    Even later zie ik het pad naar de huisartsenpraktijk al opdoemen. Bij de voordeur is een tafeltje geplaatst met een zeeppompje en een groot papier laat weten dat je eerst je handen moet wassen, voordat je het gebouw betreedt. Voor me loopt een vrouw, jaar of veertig, haar blonden haren in een keurige staart. Ze niest. Dat is op zich geen probleem maar ze doet dit in haar hánd. Bij de voordeur slaat ze het pompje over.  De voordeur zit dicht dus ze moet met haar hand…
    Voor mijn neus slaat de deur dicht. Ik pomp mijn handen vol, open de deur met mijn elleboog en ben blij als ik zonder verdere kleerscheuren mijn huisarts bereik.
    Het leven is een jungle!




  • Anders dan anders


    In de krant las ik een tip over hoe je het beste thuisvakantie kunt houden: Doe dingen die je normaal gesproken niet doet.
    Nu houd ik al een paar jaar thuisvakanties en het meeste plezier beleef ik dan aan de wandelingen die ik maak. Ook al zijn het de wandelingen die ik normaal gesproken óók maak. Maar het landschap is elk moment tóch weer anders. De planten die bloeien, de bomen al dan niet met blad, blad al dan niet gekleurd. Verder natuurlijk de lucht boven dit alles. Soms loop ik met paraplu, soms met zonnebril, de wind stuwt me voort of ik ploeg ertegen. Zelfs de huizen die ik passeer staan er telkens anders bij.
    Vandaag zou de Vierdaagse normaal gesproken begonnen zijn. Door Corona gaat het niet door.
    Het is vandaag ook nog eens precies vier maanden geleden dat ik Corona kreeg en al herstellende kan ik nog niet zo lang lopen als ik zou willen. Maar toch doe ik deze thuis-vakantie ‘iets-anders-dan-anders’ en is het gecombineerd met ‘De Vierdaagse’.
    Vandaag is het de eerste dag van de Lees- Vierdaagse, georganiseerd door de 75 jarige Bibliotheek Wijchen. Ik doe mee met de langste afstand, 50 pagina’s per dag. Daarbij is vooral de vraag of mijn ogen dat volhouden maar anders zijn er altijd nog luisterboeken! Goedgemutst en met volle moed ben ik vanmorgen de Revolutionary Road (geschreven door Richard Yates) opgestapt. Ik was daar al eerder aan de wandel, vandaag las ik pagina 164-214
    Wat ik eerder bij thuisvakanties merkte is dat je geneigd bent om gewoon door te gaan. Want dan doen we in feite allemaal elke vakantie. Je eet een aantal maaltijden per dag, je doet de was, je leest een boek en je maakt de wc schoon. Ben je elders dan doe je die dingen elders. Ben je thuis, dan is het toch gewoon. Daarom ben ik blij met de Leesvierdaagse. Ik kan nu tegen mezelf zeggen ‘Het poetsen sla ik over, de lunch eet ik terwijl ik lees, want ik moet natuurlijk die vijftig pagina’s wel hálen!’


  • Laag bij de grond


    Het staat misschien een beetje raar, maar ik tuinier graag ‘laag bij de grond’. Heeft een simpele reden: anders zie ik het verschil tussen onkruid en plant niet.

    Natuurlijk ervaar ook ik Corona-stress en heb begrepen dat contact met moeder natuur daarbij verlichting brengt. Gisteren fietste ik met dat doel, door mijn woonplaats. Vlakbij het zwembad is een groot grasveld, met allerlei trimtoestellen en een skate-baan. Sinds kort staan aan de rand van dit terrein, vlakbij het fietspad, hele leuke houten palen, waar telkens een dier in uitgesneden is. Van een zo’n paal met een uil, stond een oudere man een foto te maken. Met beide handen hield hij zijn mobiel vast, richtte en… vanuit zijn tenen knalde daar een Hátsjieieieieeeeee over het fietspad waar ik net langsfietste.

    Vandaar dat ik vandaag besloot dat mijn buitenactiviteit maar beter uit tuinieren kon bestaan.
    Daar zat ik dan, achter de heg, op mijn hurken, trok, pulkte, harkte en knipte. Heerlijk die geur van omgewoelde aarde. Om me heen het opgewonden gekwetter van musjes in de heg van onze overburen. Ik word daar altijd zo blij van. Net zoals van de geluiden van spelende kinderen.
    En wat werd er naar hartenlust buiten gespeeld in de straat, veel meer dan anders. Zou dat komen doordat ze nu de hele dag laptop-onderwijs krijgen en daarna dat ding niet meer kunnen zien dus graag naar buiten willen? Of zouden hun ouders hen zo zat zijn dat ze af en toe roepen ‘hup allee, dr uit jullie’? Twee jongens, jaar of acht, hadden elkaar duidelijk gevonden in een fantasierijk spel met veel hollen maar ook steppen. Op een geven moment gaf het ene jongetje een kreet.
    ‘Oh, het is al laat, ik moet gaan, ik moet weer wérken!’ Werken, dacht ik? Hoort dit bij het spel? Maar het bleek om het thuis-school-schema te gaan, want hij vervolgde:
    ‘Als ik straks weer ‘Vrije Tijd’ heb dan vraag ik aan mijn moeder of ik met jou mag spelen, goed?’


  • Paniek in het paleis


    Het is altijd leuk om te zien hoe anderen wonen en werken. Ik ga dus het filmpje bekijken waarin koninklijke verslaggeefster Kysia Hekster, het resultaat van de renovatie van Paleis Huis ten Bosch, toont.
     Ik hoor, nog voor ik het filmpje aantik, de mensen al roepen: ‘Wat? 63 miljoen voor een verbouwing?’  Ik, op mijn beurt denk iets anders: ‘Het is een mooi oud paleis, dat moet je onderhouden, beveiligen en ga zo maar door.’ Kysia zegt het ook meteen, het hele bordes was niet veilig meer en moest vervangen worden. Ja, logisch, zoiets kost wel wat. En de 1239 stopcontacten daar kom je wel aan bij zo’n grote ruimte. Heb ik geen problemen mee, daar betaal ik graag belasting voor.
    Kysia toont ‘De DNA-ruimte’, die voorheen ‘De Groene Kamer’ heette. De wanden bestaan nu uit stenen in de kleur en het patroon van het dna van Willem Alexander en Maxima. Heel knap bedacht! Een groen behangetje met wellicht een bloemstructuur was ook aardig geweest. Had je meteen die naam niet hoeven veranderen, geeft ook geen verwarring bij het personeel. ‘Waar moet ik afstoffen?’ ‘Doe jij de Groene Kamer maar’.
     Helder.
    In het filmpje loopt Kysia een volgende kamer in en wijst naar het hoge plafond. Er hangt een schitterende lamp. Iets met bolletjes. Ja, erg mooi. Steeds verder zoomt de camera in. Die lamp heeft iets retro, zeventiger jaren, heb ik niet laatst bij Ikea iets dergelijks gezien? Kysia vertelt: ‘De pluisjes van paardebloemen zijn allemaal met de hand geplukt en vastgelijmd aan de led-verlichting.’ Ik staar naar de lamp. Zie voor me hoe iemand vloekend aan het plakken is geweest . Heb ik geen medelijden mee, dan had je zoiets maar niet moeten bedenken. Waar ik wel medelijden mee heb is met het personeel. ‘Zeg, ik heb net De DNA-Ruimte gedaan, stof jij de lamp in De Onmogelijke Kamer nog even af? De ladder staat in het Blauwe Berghok.’
    ‘Ik durf niet, ik ben bang dat de pluisjes knakken!’
    ‘Je bent ontslagen!’

    https://nos.nl/l/2291755



  • Etiquette


    Het al half zes als ik me eindelijk over de inhoud van mijn wagentje kan buigen en die op de band kan zetten.  
     ‘Waarom heb jij een ooglapje?’ Achter de kassa zit een jongeman die ik nog niet ken. Een scholier, zo schat ik hem in.
    Ik heb een standaard antwoord op deze vraag indien ongepast of uit nieuwsgierigheid door onbekenden gesteld.  
    ‘Dát is een heel lang verhaal waarmee ik jóu niet lastig zal vallen.’ Dit antwoord, zo weet ik uit ervaring, is meestal afdoende. Ik ga dus door met boodschappen op de band te zetten, de kar is al bijna leeg. Als ik zo thuis ben ga ik meteen koken, ik ben eigenlijk behoorlijk laat. Jongste zit in proefwerkweek dus ik heb een extra lekker toetje meegenomen.    
    Ik krijg zelf ook een toetje.  
     ‘Aha, je had zeker zin om piraat te spelen!’  
      ‘Dat is ook een manier om er tegenaan te kijken’, antwoord ik. Ondertussen zend ik een blik die hopelijk uitstraalt wat ik denk: Houd je waffel.  
     ‘Ik ben toch niet beledigend geweest?’  
      ‘Ik ben wel aardig wat gewend maar…’ Nu loop ik naar het gedeelte waar ik mijn boodschappen weer ván de band kan halen.    
     ‘En een héle goeie middag’, zegt de jongen. Op een toon alsof ik hem wel eens even eerder goeiedag had mogen zeggen. Daar waren we inderdaad nog niet aan toegekomen.
     Alleen heb ik op dit momentgeen enkele behoefte om ook nog maar iets tegen hem te zeggen. Tegelijkertijd weet ik ook niet wat ik zou moeten zeggen.  
    Op de fiets naar huis bedenk ik twee dingen. Dat ik vergeten ben toiletpapier te kopen en we juist aan de laatste rol waren. En dat ik niet zozeer boos ben op die onervaren jongen die nog veel moet leren over kassa-etiquette maar op mezelf, dat ik hem daar niet even op gewezen heb.

  • Donkere wolken

    'Wat doen we? Gaan we links of rechts lopen?’ Een man van een jaar of zeventig draait zijn hoofd naar me toe terwijl hij voorbij fietst, ik zie dat hij erachteraan denkt ‘Koekwaus!’  
     Als ik op mijn vierwielfiets over het fietspad cross, dan weten de mensen het wel. Die fiets gebruik ik omdat ik een slecht evenwicht heb. Maar vandaag had ik echt zin om te gaan lopen. Ondanks de donkere wolken die zich boven ons dorpje samenpakten. Net voor de bui uit en thuis, dat zou moeten lukken.    
    Ik was al op de terugweg, stak over naar het pad dat langs het meer gaat. Daarbij moest ik het fietspad over. Ik probeerde het zoveel mogelijk keurig links lopend te doen, maar omdat ik een slecht evenwicht heb, maakte ik even een zwieper. Ik was al bezig die te corrigeren toen dus die donkere wolk langsfietste. Tegen zijn rug mopper ik.  
     ‘Ik ga naar links. Wé doen helemaal niks.’ Terwijl ik langs het meer loop (wat is het mooi groen!) denk ik na. Vanuit die man zijn oogpunt gezien, begrijp ik het ook wel. Ik had eigenlijk best ‘Sorry meneer’, willen roepen maar daarvoor was het nu te laat. Als ik thuis de voordeur achter me sluit, barst de hemel open.

  • De overwinning


    Het is toch niet zó lang? Twee minuten stilte voor hen die hun leven voor onze vrijheid gaven? Blijkbaar vindt niet iedereen dat.
    Ook al wonen we er niet, we gaan elk jaar naar de Dodenherdenking die door de gemeente Heumen georganiseerd wordt. Waarom? Omdat we het monument (de parachutes) zo indrukwekkend vinden. Bedenk hoeveel parachutisten in dit weiland geland zijn, levend of dood. Maar ook omdat de organisatie van de herdenking elk jaar weer aandoenlijk is. Het hele gebeuren is klein en ingetogen. Onze kinderen zijn met de trompettist meegegroeid. Ze hebben al veel zelfgeplukte bloemen gelegd.
    Het ene jaar lopen we de stille tocht vanuit Nederasselt, het andere jaar is het vertrek vanuit Overasselt. Altijd eindigt de tocht bij het monument. We hebben de twee minuten stilte wel eens te laat gehouden omdat een toespraak uitliep. Geeft niks, de bedoeling, dat telt. Dit jaar was er een zacht wekkertje dat de burgemeester liet weten dat de beurt aan  ‘The last post’ was.Daarna bijna twee minuten stilte. Je hoorde alleen het klapperen van de vlag, het hinniken van de paardjes in de wei en het fluiten van een vogel. Totdat een boze stem in de verte hoorbaar werd, mopperend op de verkeersregelaar die de auto niet langs wilde laten.
    Toch was de overwinning aan de kant van de herdenkers. Dit jaar - ondanks het slechte weer- méér mensen dan andere jaren en waaronder veel kinderen.

  • Elk nadeel heeft…

    Vrijdagmiddag, bij het kleine treinstation wordt verbouwd. Ik ben ruim op tijd, tuur wat voor me uit naar de rails. Twee sporen evenwijdig aan elkaar, treinen kunnen ieder hun kant uit.    
       Een eindje verderop staat een man, veertiger, te praten met een leeftijdgenoot die op het perron aan de overkant staat. Beide mannen zijn iets te hip gekleed voor hun leeftijd. Die aan mijn kant van het perron heeft aan zijn voeten niet alleen glimmende schoenen maar ook  staan er een roze en een zilverkleurig rolkoffertje. Af en toe kijkt hij ongemakkelijk naar zijn handen, waaraan een jongetje van pakweg zeven en een meisje van een jaar of vijf hangen. Opeens laten ze los, hollen naar een stapel bakstenen. Hun vader praat gewoon door, ik kan niet anders dan meeluisteren.Zijn gesprekspartner aan de overkant staat wijdbeens, handen in de zakken als een echte man van de wereld. Ze praten over het werk, waar ze beiden veel van af menen te weten. Dan begint de man aan de overkant te grijzen.  
        ‘Ik zou maar eens omkijken’, roept hij. Hij knikt erbij in de richting van de bakstenen waar het meisje met bungelende staartjes aan een stalen draad trekt en haar broer bovenop een stapel bakstenen balanceert met een baksteen in zijn opgeheven hand.  
        ‘Wat?’ zegt de vader. Hij werpt een onzekere blik over zijn schouder. Onwennig, is een beter woord.  
        ‘Ze hangen de beest uit’, lacht de man aan de overkant. De vader draait zich naar zijn kinderen. Zijn blik ketst tegen hun achterhoofden. Zonder een woord te zeggen keert hij zich weer naar zijn gesprekspartner, met een nieuw onderwerp als afleidingsmanoeuvre.  
        ‘Morgen sta ik met ze op het voetbalveld. Jij zeker ook met de jouwe?’ Zijn mond blijft hangen in een halve lach. Het is een ‘wij samen, wij weten hoe zwaar onze situatie is.’- lach.  
        De man aan de overkant verbreedt zijn schouders. Opgewekt schalt het over de rails.  
    ‘Nee, ik ga het weekeinde op wintersport. Ja jongen, dát zijn de voordelen.’


  • Nieuwe namen


    Bijna elk weekeinde loop ik over de dijk, Man en Maas vergezellen mij.
    Vandaag was het natuurlijk extra genieten met het zachte weer. Dit keer geen last van gure wind, al waren er wel weer een aantal mensen die hun racefiets of motor tevoorschijn hadden gehaald en even langs ons raasden. Met die snelheid missen ze de glinstering van het water.
    Bij Balgoy gingen we de dijk af, het dorpje door dat er als altijd rustig en tevree bij leek te liggen. Maar schijn bedriegt. We passeerden een ontzettend grote witte party-tent, zo eentje waar je zeker vijftig man in kwijt kunt. Al van verre gonsde het, blijkbaar overdag al een feestje met geklop en gehamer begeleid. Toen we de tent, aan een kant open, passeerden, zagen we waartoe de feestvreugde en de arbeid diende. Een praalwagen-in-wording! We werden hartelijk met dubbele tongen begroet.
    ‘Halllloooo’.
    ‘Hallo!’ wuifden wij terug. Terwijl we verder liepen werd er daarbinnen nog luidruchtig nagepraat.
    ‘Wie woaren da?
    ‘Oh dat woare Jut en Jul.’

  • Irene doet per ongeluk aan PR


    Doordat ik die middag bij diverse behandelaars in de huisartsenpraktijk moet zijn, zit ik tussendoor telkens weer in de wachtkamer. Zoals altijd neem ik bij dergelijke gelegenheden een boek mee.  
       ‘Sorry dat ik zo uitliep’, zegt een van de behandelaars, een pittige vrouw met vrolijke bril die me komt halen. Ik zet mijn leesbril af, pak mijn spullen en loop achter haar aan.  
       ‘Geeft niet hoor, ik heb een goed boek. Of goed, eerder boeiend, indrukwekkend.’  
       ‘Oh?’    
       ‘Het is een oorlogsdagboek.’ Ik houd het omhoog.  
        ‘He jakkes.’ Ze trekt een gezicht.  We gaan ieder aan een kant van haar bureau zitten.  
       ‘Ik begrijp wat je bedoelt maar zo leest dit niet.’ Ik vertel haar over de Duitse-Jodin die dus vanuit twee kanten geminacht wordt, een vijfenveertigjarige vrouw die los van het hele oorlogsgebeuren en de onderduik worstelt met haar huwelijk en puberkinderen. Maar ook met haar leven. Ze schrijft graag maar vindt van zichzelf dat ze moet huishouden. Ik leg uit ik zelf ook puberkinderen heb, dus ook wat dat betreft met grote ogen lees en ook wel eens iets herken.  
        ‘In ieder geval begríjp ik haar’  
        ‘Heeft ze het overleefd?’  
       ‘Paula Bermann en haar man niet. Hun drie kinderen gelukkig wel.’ De vrouw kijkt van het omslag naar mij. Ik wijs op de binnenflap naar de foto.    
    ‘Het klinkt misschien gek dat ik het zeg maar Paula Bermann verdiént het gewoon dat haar boek gelezen wordt’, zeg ik. De vrouw tegenover mij knikt instemmend, pakt kordaat het memoblok en haar pen om de titel te noteren.  
    Deze ontspoorde wereld.
    Paula Bermann

  • Worre

     
    Iedereen is naar school, opleiding of werk en voordat ik aan mijn boek ga werken wil ik eerst huiskamer en keuken een beetje in ordentelijke staat herstellen. Je kunt namelijk wel zien dat het weekeinde is geweest.
       Na anderhalf uur (andermans) zooi opruimen, stofzuigen, dweilen, aanrecht soppen en hup die keukenkastjes ook even ‘meenemen’ is het hoog tijd om koffie te tanken…
    Jullie voelen het waarschijnlijk al aankomen, die koffie ‘da gaat ‘m nie worre’ (zoals ze in mijn woonplaats zeggen). Klopt!
       Ik haal de koffie onder het apparaat vandaan, wil mijn beker op het aanrecht zetten maar doordat ik geen diepte zie steek ik de beker dwars dóór het aanrecht. Nu zie ik nooit met diepte en gaat er vaak veel goed maar vandaag dus niet.
    Daar sta ik met een restant beker in de hand (het oor en nog een klein stukje) terwijl koffie via de muur op het aanrecht, langs de keukenkastjes naar beneden op de vloer druipt.
       Even vind ik mezelf wel heel zielig maar dan zie ik ook wel in dat ik eigenlijk iets heel bijzonders voor elkaar gekregen heb.