Irene Wing Easton

Op deze pagina vind je mijn columns, blog of stukjes (het is maar hoe je het wilt noemen, toch?) én het laatste nieuws!

Volg Irene op sociale media

Irene Wing Easton

Laatste nieuws

Elke eerste maandag van de maand vind je een nieuwe column die ik voor VluchtelingenWerk Nederland schrijf, op de pagina 'gepubliceerd'.

Wil je niks missen over de toestand van 'de -roman- in-wording' ? Meld je dan aan voor de Soort Van Nieuwsbrief die áf en toe verschijnt.

Columns / Blogs / Stukjes


  • Paniek in het paleis


    Het is altijd leuk om te zien hoe anderen wonen en werken. Ik ga dus het filmpje bekijken waarin koninklijke verslaggeefster Kysia Hekster, het resultaat van de renovatie van Paleis Huis ten Bosch, toont.
     Ik hoor, nog voor ik het filmpje aantik, de mensen al roepen: ‘Wat? 63 miljoen voor een verbouwing?’  Ik, op mijn beurt denk iets anders: ‘Het is een mooi oud paleis, dat moet je onderhouden, beveiligen en ga zo maar door.’ Kysia zegt het ook meteen, het hele bordes was niet veilig meer en moest vervangen worden. Ja, logisch, zoiets kost wel wat. En de 1239 stopcontacten daar kom je wel aan bij zo’n grote ruimte. Heb ik geen problemen mee, daar betaal ik graag belasting voor.
    Kysia toont ‘De DNA-ruimte’, die voorheen ‘De Groene Kamer’ heette. De wanden bestaan nu uit stenen in de kleur en het patroon van het dna van Willem Alexander en Maxima. Heel knap bedacht! Een groen behangetje met wellicht een bloemstructuur was ook aardig geweest. Had je meteen die naam niet hoeven veranderen, geeft ook geen verwarring bij het personeel. ‘Waar moet ik afstoffen?’ ‘Doe jij de Groene Kamer maar’.
     Helder.
    In het filmpje loopt Kysia een volgende kamer in en wijst naar het hoge plafond. Er hangt een schitterende lamp. Iets met bolletjes. Ja, erg mooi. Steeds verder zoomt de camera in. Die lamp heeft iets retro, zeventiger jaren, heb ik niet laatst bij Ikea iets dergelijks gezien? Kysia vertelt: ‘De pluisjes van paardebloemen zijn allemaal met de hand geplukt en vastgelijmd aan de led-verlichting.’ Ik staar naar de lamp. Zie voor me hoe iemand vloekend aan het plakken is geweest . Heb ik geen medelijden mee, dan had je zoiets maar niet moeten bedenken. Waar ik wel medelijden mee heb is met het personeel. ‘Zeg, ik heb net De DNA-Ruimte gedaan, stof jij de lamp in De Onmogelijke Kamer nog even af? De ladder staat in het Blauwe Berghok.’
    ‘Ik durf niet, ik ben bang dat de pluisjes knakken!’
    ‘Je bent ontslagen!’

    https://nos.nl/l/2291755



  • Etiquette


    Het al half zes als ik me eindelijk over de inhoud van mijn wagentje kan buigen en die op de band kan zetten.  
     ‘Waarom heb jij een ooglapje?’ Achter de kassa zit een jongeman die ik nog niet ken. Een scholier, zo schat ik hem in.
    Ik heb een standaard antwoord op deze vraag indien ongepast of uit nieuwsgierigheid door onbekenden gesteld.  
    ‘Dát is een heel lang verhaal waarmee ik jóu niet lastig zal vallen.’ Dit antwoord, zo weet ik uit ervaring, is meestal afdoende. Ik ga dus door met boodschappen op de band te zetten, de kar is al bijna leeg. Als ik zo thuis ben ga ik meteen koken, ik ben eigenlijk behoorlijk laat. Jongste zit in proefwerkweek dus ik heb een extra lekker toetje meegenomen.    
    Ik krijg zelf ook een toetje.  
     ‘Aha, je had zeker zin om piraat te spelen!’  
      ‘Dat is ook een manier om er tegenaan te kijken’, antwoord ik. Ondertussen zend ik een blik die hopelijk uitstraalt wat ik denk: Houd je waffel.  
     ‘Ik ben toch niet beledigend geweest?’  
      ‘Ik ben wel aardig wat gewend maar…’ Nu loop ik naar het gedeelte waar ik mijn boodschappen weer ván de band kan halen.    
     ‘En een héle goeie middag’, zegt de jongen. Op een toon alsof ik hem wel eens even eerder goeiedag had mogen zeggen. Daar waren we inderdaad nog niet aan toegekomen.
     Alleen heb ik op dit momentgeen enkele behoefte om ook nog maar iets tegen hem te zeggen. Tegelijkertijd weet ik ook niet wat ik zou moeten zeggen.  
    Op de fiets naar huis bedenk ik twee dingen. Dat ik vergeten ben toiletpapier te kopen en we juist aan de laatste rol waren. En dat ik niet zozeer boos ben op die onervaren jongen die nog veel moet leren over kassa-etiquette maar op mezelf, dat ik hem daar niet even op gewezen heb.

  • Donkere wolken

    'Wat doen we? Gaan we links of rechts lopen?’ Een man van een jaar of zeventig draait zijn hoofd naar me toe terwijl hij voorbij fietst, ik zie dat hij erachteraan denkt ‘Koekwaus!’  
     Als ik op mijn vierwielfiets over het fietspad cross, dan weten de mensen het wel. Die fiets gebruik ik omdat ik een slecht evenwicht heb. Maar vandaag had ik echt zin om te gaan lopen. Ondanks de donkere wolken die zich boven ons dorpje samenpakten. Net voor de bui uit en thuis, dat zou moeten lukken.    
    Ik was al op de terugweg, stak over naar het pad dat langs het meer gaat. Daarbij moest ik het fietspad over. Ik probeerde het zoveel mogelijk keurig links lopend te doen, maar omdat ik een slecht evenwicht heb, maakte ik even een zwieper. Ik was al bezig die te corrigeren toen dus die donkere wolk langsfietste. Tegen zijn rug mopper ik.  
     ‘Ik ga naar links. Wé doen helemaal niks.’ Terwijl ik langs het meer loop (wat is het mooi groen!) denk ik na. Vanuit die man zijn oogpunt gezien, begrijp ik het ook wel. Ik had eigenlijk best ‘Sorry meneer’, willen roepen maar daarvoor was het nu te laat. Als ik thuis de voordeur achter me sluit, barst de hemel open.

  • De overwinning


    Het is toch niet zó lang? Twee minuten stilte voor hen die hun leven voor onze vrijheid gaven? Blijkbaar vindt niet iedereen dat.
    Ook al wonen we er niet, we gaan elk jaar naar de Dodenherdenking die door de gemeente Heumen georganiseerd wordt. Waarom? Omdat we het monument (de parachutes) zo indrukwekkend vinden. Bedenk hoeveel parachutisten in dit weiland geland zijn, levend of dood. Maar ook omdat de organisatie van de herdenking elk jaar weer aandoenlijk is. Het hele gebeuren is klein en ingetogen. Onze kinderen zijn met de trompettist meegegroeid. Ze hebben al veel zelfgeplukte bloemen gelegd.
    Het ene jaar lopen we de stille tocht vanuit Nederasselt, het andere jaar is het vertrek vanuit Overasselt. Altijd eindigt de tocht bij het monument. We hebben de twee minuten stilte wel eens te laat gehouden omdat een toespraak uitliep. Geeft niks, de bedoeling, dat telt. Dit jaar was er een zacht wekkertje dat de burgemeester liet weten dat de beurt aan  ‘The last post’ was.Daarna bijna twee minuten stilte. Je hoorde alleen het klapperen van de vlag, het hinniken van de paardjes in de wei en het fluiten van een vogel. Totdat een boze stem in de verte hoorbaar werd, mopperend op de verkeersregelaar die de auto niet langs wilde laten.
    Toch was de overwinning aan de kant van de herdenkers. Dit jaar - ondanks het slechte weer- méér mensen dan andere jaren en waaronder veel kinderen.

  • Elk nadeel heeft…

    Vrijdagmiddag, bij het kleine treinstation wordt verbouwd. Ik ben ruim op tijd, tuur wat voor me uit naar de rails. Twee sporen evenwijdig aan elkaar, treinen kunnen ieder hun kant uit.    
       Een eindje verderop staat een man, veertiger, te praten met een leeftijdgenoot die op het perron aan de overkant staat. Beide mannen zijn iets te hip gekleed voor hun leeftijd. Die aan mijn kant van het perron heeft aan zijn voeten niet alleen glimmende schoenen maar ook  staan er een roze en een zilverkleurig rolkoffertje. Af en toe kijkt hij ongemakkelijk naar zijn handen, waaraan een jongetje van pakweg zeven en een meisje van een jaar of vijf hangen. Opeens laten ze los, hollen naar een stapel bakstenen. Hun vader praat gewoon door, ik kan niet anders dan meeluisteren.Zijn gesprekspartner aan de overkant staat wijdbeens, handen in de zakken als een echte man van de wereld. Ze praten over het werk, waar ze beiden veel van af menen te weten. Dan begint de man aan de overkant te grijzen.  
        ‘Ik zou maar eens omkijken’, roept hij. Hij knikt erbij in de richting van de bakstenen waar het meisje met bungelende staartjes aan een stalen draad trekt en haar broer bovenop een stapel bakstenen balanceert met een baksteen in zijn opgeheven hand.  
        ‘Wat?’ zegt de vader. Hij werpt een onzekere blik over zijn schouder. Onwennig, is een beter woord.  
        ‘Ze hangen de beest uit’, lacht de man aan de overkant. De vader draait zich naar zijn kinderen. Zijn blik ketst tegen hun achterhoofden. Zonder een woord te zeggen keert hij zich weer naar zijn gesprekspartner, met een nieuw onderwerp als afleidingsmanoeuvre.  
        ‘Morgen sta ik met ze op het voetbalveld. Jij zeker ook met de jouwe?’ Zijn mond blijft hangen in een halve lach. Het is een ‘wij samen, wij weten hoe zwaar onze situatie is.’- lach.  
        De man aan de overkant verbreedt zijn schouders. Opgewekt schalt het over de rails.  
    ‘Nee, ik ga het weekeinde op wintersport. Ja jongen, dát zijn de voordelen.’


  • Nieuwe namen


    Bijna elk weekeinde loop ik over de dijk, Man en Maas vergezellen mij.
    Vandaag was het natuurlijk extra genieten met het zachte weer. Dit keer geen last van gure wind, al waren er wel weer een aantal mensen die hun racefiets of motor tevoorschijn hadden gehaald en even langs ons raasden. Met die snelheid missen ze de glinstering van het water.
    Bij Balgoy gingen we de dijk af, het dorpje door dat er als altijd rustig en tevree bij leek te liggen. Maar schijn bedriegt. We passeerden een ontzettend grote witte party-tent, zo eentje waar je zeker vijftig man in kwijt kunt. Al van verre gonsde het, blijkbaar overdag al een feestje met geklop en gehamer begeleid. Toen we de tent, aan een kant open, passeerden, zagen we waartoe de feestvreugde en de arbeid diende. Een praalwagen-in-wording! We werden hartelijk met dubbele tongen begroet.
    ‘Halllloooo’.
    ‘Hallo!’ wuifden wij terug. Terwijl we verder liepen werd er daarbinnen nog luidruchtig nagepraat.
    ‘Wie woaren da?
    ‘Oh dat woare Jut en Jul.’

  • Irene doet per ongeluk aan PR


    Doordat ik die middag bij diverse behandelaars in de huisartsenpraktijk moet zijn, zit ik tussendoor telkens weer in de wachtkamer. Zoals altijd neem ik bij dergelijke gelegenheden een boek mee.  
       ‘Sorry dat ik zo uitliep’, zegt een van de behandelaars, een pittige vrouw met vrolijke bril die me komt halen. Ik zet mijn leesbril af, pak mijn spullen en loop achter haar aan.  
       ‘Geeft niet hoor, ik heb een goed boek. Of goed, eerder boeiend, indrukwekkend.’  
       ‘Oh?’    
       ‘Het is een oorlogsdagboek.’ Ik houd het omhoog.  
        ‘He jakkes.’ Ze trekt een gezicht.  We gaan ieder aan een kant van haar bureau zitten.  
       ‘Ik begrijp wat je bedoelt maar zo leest dit niet.’ Ik vertel haar over de Duitse-Jodin die dus vanuit twee kanten geminacht wordt, een vijfenveertigjarige vrouw die los van het hele oorlogsgebeuren en de onderduik worstelt met haar huwelijk en puberkinderen. Maar ook met haar leven. Ze schrijft graag maar vindt van zichzelf dat ze moet huishouden. Ik leg uit ik zelf ook puberkinderen heb, dus ook wat dat betreft met grote ogen lees en ook wel eens iets herken.  
        ‘In ieder geval begríjp ik haar’  
        ‘Heeft ze het overleefd?’  
       ‘Paula Bermann en haar man niet. Hun drie kinderen gelukkig wel.’ De vrouw kijkt van het omslag naar mij. Ik wijs op de binnenflap naar de foto.    
    ‘Het klinkt misschien gek dat ik het zeg maar Paula Bermann verdiént het gewoon dat haar boek gelezen wordt’, zeg ik. De vrouw tegenover mij knikt instemmend, pakt kordaat het memoblok en haar pen om de titel te noteren.  
    Deze ontspoorde wereld.
    Paula Bermann

  • Worre

     
    Iedereen is naar school, opleiding of werk en voordat ik aan mijn boek ga werken wil ik eerst huiskamer en keuken een beetje in ordentelijke staat herstellen. Je kunt namelijk wel zien dat het weekeinde is geweest.
       Na anderhalf uur (andermans) zooi opruimen, stofzuigen, dweilen, aanrecht soppen en hup die keukenkastjes ook even ‘meenemen’ is het hoog tijd om koffie te tanken…
    Jullie voelen het waarschijnlijk al aankomen, die koffie ‘da gaat ‘m nie worre’ (zoals ze in mijn woonplaats zeggen). Klopt!
       Ik haal de koffie onder het apparaat vandaan, wil mijn beker op het aanrecht zetten maar doordat ik geen diepte zie steek ik de beker dwars dóór het aanrecht. Nu zie ik nooit met diepte en gaat er vaak veel goed maar vandaag dus niet.
    Daar sta ik met een restant beker in de hand (het oor en nog een klein stukje) terwijl koffie via de muur op het aanrecht, langs de keukenkastjes naar beneden op de vloer druipt.
       Even vind ik mezelf wel heel zielig maar dan zie ik ook wel in dat ik eigenlijk iets heel bijzonders voor elkaar gekregen heb.
     

  • Sport en spel

     
    Mijn oudste zus had een blauwe step, mijn andere zus een rode. Af en toe gingen mijn zussen hun step oppoetsen. Ze kregen dan van mijn moeder een doekje en van mijn vader poetsspul wat eigenlijk voor de auto was. Voor de auto! Ze zetten hun step op de standaard, wreven dat het een lieve lust was en keken daarbij heel gewichtig.
      ‘Mag ik ook step-poetsen?’
      ‘Nee, want jij hebt geen step.’
    Ik was vier en had geen step. Nou, is dat niet helemaal waar, als peutertje had ik een plastic stepje met vier wieltjes. Op een dag besloten mijn ouders dat ik ‘uit het stepje gegroeid was’ en het ging naar Katrientje, een buurmeisje. Ik kon daar enigszins vrede mee hebben omdat Katrientje erg schattig was, maar echt van harte ging het niet. Ook al paste ik er niet meer op, het plastic stepje hing altijd aan een haak in de schuur en ik keek er af en toe naar, dacht dan aan lang vervlogen gelukkige tijden.
      Natuurlijk klaagde (lees: zeurde) ik regelmatig over het feit dat ik steploos was maar daar trapten mijn ouders niet in.
      ‘Je kunt op de step van je zussen’, en dat was ook zo, als zij er niet op stepten, kon ik op de rode of de blauwe. Eerst met de rug gebogen flink aanzetten en dan rechtop, zoevend over de stoep. Ik kan het zo weer oproepen, dat gevoel van vrijheid, de wijde wereld in kunnen. Vooral wanneer je van je moeder een heel blokje om mocht.
      Toen ik zelf kinderen kreeg, hadden ze allemaal een eigen step. En ik moet bekennen dat ik die step graag voor hen naar de schuur reed.
      Vanmorgen liet ik onze Logeerhond uit. Op een gegeven moment kwam er een tegenligger aan. Ik keek, keek nog eens goed. Het was een man, jaar of dertig, op een step! Mijn hart ging sneller kloppen. Het was een grote step, eentje voor volwassenen! De man stond statig rechtop, met een gezicht van ‘kijk mij eens gaan!’ Ik was jaloers, even, daarna moest ik grinniken. De man was in volledig sporttenue. Zijn rechter been liet hij stijf en statig, ritmisch langs zijn lijf zwaaien.
    Terwijl ik verder liep dacht ik na over hoe spel, sport wordt.
       

  • Zegje


    Ik heb me er nog niet over laten horen, over het #metoo en de beerput die hiermee opengetrokken is. Sinds ik dit voorjaar mocht ervaren hoe het is om viraal-uitgespuwd te worden (een anders soort #metoo dus) houd ik mijn mening wat meer voor mijzelf. Dat is ook waar ik me zorgen over maak als ik de berichten en onthullingen op sociale media lees. Wat doet dit met degene die schrijft over zijn of haar ervaringen, wat maakt het los en wat gaat er met dat bericht gebeuren? Ik zwengel heen en weer tussen ‘wat dapper dat hij/zij dit openbaart’ en ‘ojee’ en daartussenin denk ik nog vele gedachten over andermans ellende en over mijn eigen overschreden grenzen.
    Ondanks die zorgen ben ik blij dat het deksel van de beerput knalt. Ooit was er een tijd waarin ik dacht dat ik de enige was die zoiets overkwam maar therapie leerde me onder andere dat dit beslist niet zo is. Macht en manipulatie zijn aan de orde van de dag, óveral.
    De verhalen over narcistische persoonlijkheden die hun slachtoffer groomen en langzaam maar zeker inspinnen vaak onder het mom van ‘hulpvaardigheid’, zijn geen incidentele gebeurtenissen.
    Ergens voelde ik me geroepen om solidair met slachtoffers ook een #metoo te plaatsen. Maar het voelde niet goed. En als ik sinds bepaalde gebeurtenissen iéts geleerd heb dan is het wel ‘luister naar je eigen gevoel, je intuïtie heeft altijd gelijk ook al laat deze zich maar in een flitsje zien.’
    Ik ben niet de enige die zorgen heeft bij het lezen van alle berichten. Mannen/vrouwen gaan twijfelen over de door hen gegeven goedbedoelde schouderklop of aangeboden hulp.
    Laten we alsjeblieft niet doorschieten en vooral naar onze intuïtie blijven luisteren. Juist de echte hulp en vriendelijke aanrakingen van mannen hebben voor mij de afgelopen jaren helend gewerkt en mijn vertrouwen in ‘de man’ hersteld. Zo, ik heb mijn zegje gedaan.

  • Look

    ‘Nou, dat denk ik dus echt niet’, zegt de man die zijn boodschappen al afgerekend heeft wanneer ik bij de leukste kassière van het dorp aanschuif. Terwijl zij mijn broden pakt, discussieert hij met haar over wie er het meeste doen: mannen of vrouwen.
    De kassière, A. heet ze, weet het wel.
    ‘Vrouwen doen het meeste, dat was ook op tv.’ De man is het er niet mee eens en valt zijn soortgenoten bij. Ik vraag beleefd of ik bij de band mag, zodat ik de broden en groente alvast in mijn tassen kan doen. Hij gaat meteen achter mij staan.
    ‘Het is trouwens wetenschappelijk bewezen dat vrouwen het meeste doen’, kan ik niet nalaten over mijn schouder tegen hem te zeggen.
    ‘Dat is zo’, valt A. me bij,  ‘en ZIJ weet het’. 
    ‘Jaja, zegt de man, ik kén haar wel hoor!’  
    Mijn ergernis verdwijnt meteen. Wat vind ik dat nou leuk, hij kent ‘Moe is Moe maar voldaan’. Ik hoor het vaker hoor, vrouwen die vertellen dat ze op de bank hardop zitten te lachen om mijn boek en dat hun vriend of partner het uit hun handen trekt omdat deze ook wel eens even wil lachen en het vervolgens helemaal uitleest. Ik knik hem vriendelijk toe en ga door met mijn boodschappen in tassen te doen.
    ‘Ik kom straks trouwens even bij jou langs’, zegt de man. Nu schrik ik, dat is nou ook weer niet de bedoeling. De ontzetting is waarschijnlijk van mijn gezicht af te lezen.
    De man kijkt me ineens streng aan.
    ‘Ja, jij bent toch van de wasserette?’
    De hand van kassière A. blijft zweven. Ik stop met inladen en kijk A. aan. Ik zie haar denken: Ze schrijft én heeft een wasserette, dat wist ik helemaal niet. Ik grijns.
    ‘Nou ik doe wel heel véél was maar een wasserij is het bij ons thuis nou ook weer niet.’  
    A. giert het uit. De man gaat er snel van door.
    Wanneer ik even later mijn tassen in de bak van mijn fiets zet, staat hij weer naast me.
    'Sorry van die wasserij maar je lijkt zo op de vrouw die daar werkt. Jullie hebben dezelfde look.’
    Als ik naar huis fiets, zie ik het voor me hoe hij de vrouw waar hij zijn was heen bracht een standje geeft over de vlekken in het wasgoed. Wat voor kleur ooglapje zou zij hebben?

  • Vrijheid blijheid

    Op deze zaterdag kijk ik terug op de week, die er een was van tegenstellingen.
    Het begon met de aanslag op de homobar in Orlando, daarna werd een Frans politie-echtpaar doodgeschoten en toen nog de Britse veelbelovende parlementariër Jo Cox. 
    Moord is altijd vreselijk. Politieke moord, doden om iemands geaardheid, of geloof  dat maakt het allemaal nog erger. De daders willen mensen de mond snoeren, letterlijk.
    Ik houd van letters en de mogelijkheid je ermee uit te drukken. Ik denk aan de slachtoffers die vanwege de woorden die ze ooit uitspraken of schreven, neergeknald of gestoken zijn. Geen vrijheid van meningsuiting.
    Ik zie voor me hoe mensen, die vanwege het feit dat ze zich op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats bevinden, toevallig de pineut zijn. Zij waren niet vrij om te gaan en te staan waar ze wilden, toen ze die avond de homobar betraden.
    Ook de top van het Belgische kabinet en hun familieleden, kunnen zich sinds een paar dagen niet meer zonder politiebewaking bewegen, vanwege terreurdreiging.
    In deze zelfde week hoorden we dat ons Kind geslaagd is. De vlag werd opgehangen, de rugzak eraan, er kwam taart en er waren vreugdetranen.
    Ik plaatste een foto van vlag en tas op sociale media, om mijn blijdschap te uiten. Blijheid voor mijn kind. Het regende likes.
    Een persoon mopperde en vroeg zich af of het nou werkelijk nodig was al die vlaggen in zijn tijdlijn.
    Een andere, notabene bejaarde dame, reageerde onder mijn foto:  
    ‘Gefeliciteerd, geslaagd zijn geeft zo’n heerlijk vrij gevoel.’ Ze verwoordde daarmee precies de gedachte die heel veel mensen (inclusief ikzelf) hebben, wanneer ze aan hun eigen slagen na het eindexamen terugdenken.
    Vrijheid blijheid.
    Juist deze week extra belangrijk om bij stil te staan.

  • Methode

    ‘Jij wilde toch zo graag een huisdier?’ zeg ik tegen Kind dat het eerst beneden was voor het ontbijt en me zojuist meedeelde (lees: meegilde) dat er een spin in de hal zit.
    Ik loop achter haar aan en slik. Oeps. Geen spinnetje maar een spin. Zo eentje waar ik vroeger mijn vader voor riep. Pappa haalde dan zijn zakdoek tevoorschijn, modelleerde deze tot een soort vangnet en húp daar holde de spin weg maar niet voor lang, uiteindelijk was spin gevangen in zijn hand. Huh!
    ‘Dood dood maak hem dóód’, gilde ik dan.
    ‘Welnee’, zei mijn vader terwijl hij de zakdoek én de spin voorzichtig in het kommetje van twee handen hield, maak de deur eens even open dan brengen we hem naar buiten. Het is zonde om een dier zomaar dood te maken, spinnen zijn hele núttige beestjes.’
    Nu sta ik in onze hal en staar naar boven. Net onder het plafond zit dus een joekel op de muur. Mijn vader kan ik niet meer roepen, die is allang dood.
    ‘We moeten hem vangen, hij moet naar buiten’, zeg ik. ‘Nee, roept Kind, hij moet dóód!’
    Shit, denk ik, waar is Man nu ik hem nodig heb? In het buitenland aan het werk, dus ook met een smoesje naar huis lokken gaat niet lukken.
    Even overweeg ik de spin gewoon te laten zitten… en een betoog te houden over het nut van deze dieren, dat ze mugjes en vliegjes opeten waar wij dan fijn geen last meer van hebben bladiebla. Toch doe ik dat nog even niet.
    De spin zit namelijk zo’n veertig centimeter boven onze kapstok. Het idee dat hij straks naar beneden wandelt en eens lekker in de kraag van een jas gaat zitten...Huh!
    Ondertussen zijn er meer Kinderen wakker en werpen een vluchtige blik op De Spin waarna ze ineens allemaal druk zijn met broodtrommels die gevuld moeten worden en dergelijke.
    Dan zeg ik het.
    ‘Ik zal hem weghalen.’
    Vanuit de keuken klinkt het viermondig: ‘Durf jij dat?’
    Ik besluit over te gaan tot mijn methode ‘Net - doen - alsof.’
    ‘Já hoor!’
    Dan wordt er geroepen: ‘Dat kan jij toch niet, het is te hoog en die spin is te snel.’
    Nou dat had ik zelf natuurlijk allang bedacht maar toch pak ik de ladder én een glas én een stuk papier.  Onder luid gegil van een van de kinderen, de enige die het kan aanzien, plaats ik het glas over de spin en schuif  het papier tussen muur en glas. ‘Dóód’ klinkt het onder mij. Terwijl ik de ladder zonder vallen afdaal zeg ik zo luchtig mogelijk (terwijl ik wel kan krijsen zo HUH vind ik het) ‘Doe jij de voordeur even open dan breng ik hem naar buiten. Spinnen zijn hele nuttige beestjes.’

  • Brein

    Eigenlijk zou ik wel eens even lekker door de tuin willen rauzen. Onkruid wieden, dooie takken weghalen, dat soort dingen. Maar nu ik nog herstellende ben (het gaat al beter, dank u) van de operatie is het niet verstandig om lichamelijk zo te keer te gaan.
    Maar dat heeft ook nog wel een voordeel. Er is geen reden om niet achter de computer te gaan zitten en te tieperdetiepen aan de roman. En dat doe ik dan ook. Op de dagen dat mijn brein het toelaat.
    Want die hersenstam van mij vindt bepaald niet alles goed en vooral als ik te veel heen en weer scrol of te veel lees, krijg ik op mijn lazer en word getrakteerd op een pijnlijke aanval. Dan kan ik niet in de tuin rondhopsen én niet aan mijn boek werken. Af en toe kan ik mijn hersenpan wel schieten, dan baal ik zo van dat falende geval.
    Maar ik neem die woorden nu terug.
    Mijn brein is eigenlijk heel erg oké!
    Gisteren was ik zo lekker aan de slag met mijn manuscript, dat ik na het avondeten dacht: ‘Ik ga nog éven door.’ Natuurlijk waren er onderbrekingen bijvoorbeeld om Kind gezellig in bed te stoppen, Man die vanuit Buitenland belde bij te praten maar daarna tieperdetiepte ik door terwijl de oudste drie nog een programma op de teevee keken. De één na de ander stak zijn of haar hoofd om de hoek en wenste me welterusten en ik besloot nog éven verder te gaan want de ruwe versie van het te herschrijven hoofdstuk was op drie pagina’s na af. Ik rook de stal als het ware en wilde dóór.
    Maar al doende kwam ik op een punt dat ik dacht: Er mist iets in dit hoofdstuk. Maar wat?
    Ineens concentreerde ik me niet meer zo goed, begon te fantaseren over het runnen van een boekwinkel (nee mijn roman gaat helemaal niet over een boekwinkel) en dacht alles eens lekker uit (wel een koffiehoek, géén kantoorartikelen erbij).
    Uiteindelijk sprak ik mezelf eens stevig toe ‘Nu niet meer afdwalen, focus Irene’ en in de nachtelijke stilte maakte ik de pagina’s af. Uiteindelijk ging ik slapen met de gedachte ‘er mist nog steeds iets’.
    Maar let op, nou komt het! 
    Toen de vogels in -de -tuin -met -onkruid mij ’s ochtends wakker zongen, wíst ik het.   
    Een van de personages moest nog ergens op reageren! Ongelooflijk, dat brein van mij had gewoon doorgewerkt.
    Mij hoor je niet meer klagen.

  • Hee hallo!

    Vanmiddag kwam ik de wachtkamer van de huisarts binnen, groette het handjevol mensen dat er zat en zocht een plaatsje uit. Meestal neem ik bij zulke gelegenheden een boek mee om de tijd te doden maar dat was ik dit keer vergeten. De Gelderlander was al in handen van de andere wachtenden en dus zat ik gewoon lekker wat te suffen, ook wel eens fijn. Het was er stil, het was er rustig en dus kon ik een beetje nadenken over wat we deze week zullen eten, de inrichting van de wachtkamer eens bekijken en concluderen dat de kinderhoek erg leuk is, een beetje met mijn voet wiebelen, dat soort dingen.
    Toen ik wat meer bij bewustzijn kwam ging mijn blik naar de klok (het duurde lang) en daarna naar de andere wachtenden. Hee, wat was dat, er was een nieuw persoon bij gekomen, een man die ook wat voor zich uitstaarde zonder iets te zien. Ik kende hem.  
    Dat was onmiskenbaar T.
    ‘Hee T., hallo!’, wilde ik zeggen maar kon nog net op tijd mijn mond dichtklappen. T. is een belangrijk personage uit mijn #romaninwording! T. bestaat niet echt maar hier zat hij. Ik had de neiging diezelfde mond weer open te laten hangen van verbazing. Ik moest uitkijken hem niet aan te gaan staren maar echt ik zweer het jullie, hij was het hélemaal

  • Zou

    Mijn mobiel laat weten dat er een beller is. Ik neem op zoals ik dat altijd doe. ‘Met Irene Wing Easton.’
    Beller: ‘Met Floortje!’
    Ik moet daar even over nadenken want ken wel een Noortje en een Floor maar geen FloorTJE. Vergeet ik iemand? Beter maar gewoon vragen.
    Ik: ‘Floortje ik weet eerlijk gezegd even niet wie jij bent.’
    Floortje: ‘Wie ben jij dan?’
    Ik: ‘Irene Wing Easton!’
    Floortje: ‘Oh.’
    Nu begint het me te dagen, ze wil natuurlijk een van de andere gezinsleden spreken en die hebben immers Mans achternaam.
    Ik: ‘Naar wie ben je op zoek Floortje?’
    Floortje: ‘Naar mijn moeder.’
    Ik: ‘Oh…dan heb je denk ik het verkeerde nummer getoetst.’
    Floortje: ‘Dat zóu kunnen.’

  • Vertrouwen

    Met een winkelwagen vol etenswaren kom ik bij mijn vierwiel-fiets aan. Ja het past allemaal weer nét in de bakken die voor en achter bevestigd zijn. Terwijl ik tassen inlaad, realiseer ik me wat er niet bij zit.
    Hardop ontglipt me een: ‘Oh nee hè, ben ik het IJS vergeten!’
    Vanaf het bankje naast mijn fiets klinkt een rauwe stem.
    ‘Ga maar even terug, ik let wel op je spullen.’ Wanneer ik opzij kijk zie ik een vrouw van een jaar of zestig zitten, die net een trekje van haar sigaret neemt.
    ‘Doe maar, ik zit hier nog wel even’, maant ze me. Ik wik en weeg, kun je een fiets met tassen, winkelwaarde vierenvijftig Eurietjes zomaar achterlaten bij een wildvreemde?
    De lippen van de vrouw zuigen zich in afwachting van mijn antwoord, nogmaals vacuüm rond de sigaret. Ik beoordeel haar blik en geef antwoord.
    ‘Oudste doet eindexamen, ik heb hem ijs als toetje beloofd.’ Samen kijken we haar rookwolkje na.
    ‘Wat je belooft, moet je waar maken’, zegt ze.

  • Market Garden herhaalt zich

    ‘Het rook net zoals vandaag. Het was ook zulk weer, overdag zonnig en een beetje vochtig, maar ’s nachts koud.’
    Ik knik, al kan mijn moeder dat niet zien omdat we elkaar aan de telefoon spreken. Elk jaar rond deze tijd vertelt ze me hetzelfde verhaal, al komen er elk jaar meer herinneringen bij.
    ‘We woonden in Oosterhout, dus precies tussen de gevechten. We zaten dagenlang in die schuilkelder. De buurjongens hadden hem gegraven, je moest er op handen en voeten in kruipen en dan met z’n twintigen dicht op elkaar zitten. Het was een goede plek daar aan de rand van de bongerd, bij ons had het niet gekund want onze boerderij stond langs de weg, dus veel te gevaarlijk.’
    Ik zie het huis met de rode dakpannen en de schuren voor me. Mijn moeder vertelt verder.
    ‘We hoorden de koeien loeien, ja die arme dieren wilden gemolken worden. We aten appels. Telkens als het geknal luider werd, riepen de buren: ‘Bidden, hárder bidden!’
    Op een gegeven moment kwam er zo’n geweer de schuilkelder in, op ons gericht. Het was een Duitser, totaal in paniek, die zijn manschappen kwijt was geraakt. We waren zo bang dat hij in zijn angst ons allemaal zou neerknallen en probeerden hem te sussen, gaven hem thee, lieten hem bij ons rusten. Later hebben we gehoord dat er een Duitser neergeschoten is, die alleen was.
    Toen het knallen minder werd zijn we gaan lopen. Kwamen we in de buurt van Nijmegen, dan zag het er niet best uit en gingen we toch maar weer terug, de andere kant uit. Daar werd ook flink geschoten dus maar weer terug richting Nijmegen.
    Er waren mensen die ons wenkten en binnen vroegen. Ze wilden graag weten wat we hadden beleefd, wat we hadden gezien (hoe het ervoor stond) en gaven ons havermoutpap. Toen ik aan die pap zat moest ik ineens zo huilen, zo vréselijk huilen.’
    Ik knik weer en mijn stem bibbert als ik zeg: ‘Ik vind het zo erg dat je dit moest meemaken.’